De Oude Brouwerskolk
Water over waterDe Nieuwe Brouwerskolk, nu dus gewoon de Brouwerskolk, stond met de stad in verbinding via de Brouwersvaart. Voorheen droeg die de naam Santvaert. Ook dit was een functionele benaming. De Santvaert was gegraven om met schuiten duinzand naar Haarlem te brengen. Dit zand werd in Haarlem, maar ook in Amsterdam en Leiden, gebruikt voor bouwactiviteiten. Die steden groeiden in de late zestiende en vroege zeventiende eeuw namelijk erg snel en zaten constant om zand verlegen. Het schone water in de Brouwerskolk welt op vanuit de zandige bodem. Dit water vindt zijn oorsprong in de waterbel in de duinen, waaruit ook de duinrellen hun water ontvangen. Vanuit de Brouwerskolk werd dit water in vaten op schuiten naar Haarlem gebracht. Aan de waterzijde van de brouwerijen stond een putgalg, ook wel bierpaal genoemd. Dit was een hijsinstallatie met een daaraan verbonden waterreservoir. Nadat dit was gevuld met water uit de schuiten werd het omhoog gehesen. Via een watergoot, of een buis, stroomde het dan de brouwerij in. Bij het item 'bier en water' ziet u een afbeelding van zo’n putgalg.
Strijd over het waterDe bierbrouwers waren niet de enigen die verlegen zaten om schoon water. Sinds het einde van de zestiende eeuw gebruikte ook een snel groeiend aantal linnenblekerijen dit. Veel van deze blekerijen lagen in Bloemendaal en Overveen. Voor de brouwers was het niet zozeer een probleem dat de blekers veel duinwater gebruikten, aan dat water was immers geen gebrek. Het probleem was dat de blekers het water verontreinigden met de afvalstoffen van het bleekproces. Bij het bleken werd onder meer gebruik gemaakt van loog en karnemelk. Die stoffen werden uiteindelijk uit het linnen gewassen en kwamen met het waswater in het oppervlaktewater terecht. Vooral in de jaren waarin de brouwers nog het water uit de Oude Brouwerskolk gebruikten, ondervonden ze veel hinder van die verontreiniging. De brouwers behoorden tot de machtigste groep in de Haarlemse samenleving en het was voor hen een koud kunstje om het stadsbestuur al in 1580 tot actie te bewegen. De grootste verontreinigers bevonden zich in Overveen, een plaats die niet viel onder de rechtsmacht van Haarlem, maar onder die van de Heer van Bredero. Haarlem kon dus niet zo maar verbodsbepalingen uitvaardigen die de linnenblekerijen aan banden legden. De stad probeerde dit echter wel en kwam, nadat de blekers claimden dat de stad buiten haar boekje trad, in conflict met de Heer van Bredero. Een juridische en politieke strijd volgde, die vele jaren duurde. Uiteindelijk trok Haarlem aan het langste eind nadat ook de Stadhouder en het Hof van Holland zich met de zaak hadden bemoeid. Alle blekerijen in de polder ten zuiden van de Zijlweg moesten verdwijnen. De blekers kregen hiervoor wel een eenmalige uitkoopsom van 300 ponden, te betalen door het Haarlemse brouwersgilde.
Literatuur* Pier Hoekstra, Bloemendaal. Proeve ener streekgeschiedenis (Wormerveer 1947) 132-136. * S.C. Regtdoorzee Greup-Roldanus, Geschiedenis der Haarlemmer bleekerijen (‘s-Gravenhage 1936) 228-236. * Ter inzage in de bibliotheek van de Archiefdienst voor Kennemerland. |