Het gonst in Amsterdam
Eindelijk actie ... dankzij de EngelsenIn 1847 kreeg Vaillant toestemming van de minister van Binnenlandse Zaken om zijn plan te realiseren. Hij wist een comité van vooraanstaande Amsterdammers samen te stellen dat zich met voorbeeldige ijver inzette om de geschatte investeringssom van 2½ miljoen gulden bijeen te brengen. Voorzitter van dit comité was Jacob van Lennep. Op 5 maart 1851 lieten de initiatiefnemers echter teleurgesteld weten dat het, door het ‘hier te lande maar al te zeer bestaand gebrek aan belangstelling in Industriële Ondernemingen’, niet gelukt was. Maar al snel daarna kwam de redding uit het buitenland. Het comité kon op 9 mei 1851 laten weten dat het Engelse geldschieters had gevonden die brood zagen in het plan. Voortvarend ging men aan de slag en al op 11 juli 1851 werd de Amsterdamse Duinwater-Maatschappij opgericht. De directeuren (waaronder Van Lennep) waren Nederlanders die in Amsterdam vergaderden, de Raad van Commissarissen bestond uit Engelsen en vergaderde in Londen. De plannen, waarbij nu ook Engelse ingenieurs betrokken raakten, werden nader uitgewerkt. Ook dat ging bepaald niet langzaam. Want het was nog in hetzelfde jaar op 11 november dat de jeugdige kroonprins Willem plechtig een fraai versierde eerste spade in de grond stak. Plaats van handeling: het Mariënduin bij het Manpad tussen Heemstede en Vogelenzang. Het betrof een stuk duingrond dat Van Lennep aan zijn Amsterdamse Maatschappij had verkocht.
Een modern waterleidingbedrijf anno 1853Na Willems eerste spadensteek werd in het duingebied een kanaal gegraven met een lengte van 3500 meter, een breedte van 13 meter en een diepte van 3,5 meter. Het daarin opwellend duinwater stroomde naar een zes meter diepe kom die we nu nog, toepasselijk, kennen als ‘de Oranjekom’. Aan de Leidsevaart verrees een waterzuiveringsbedrijf met drie zandfilters en een pompstation met moderne stoommachines. Het gebouw staat er nog steeds, zo’n twee kilometer ten zuiden van het station Heemstede-Aerdenhout tussen de vaart en de spoorweg. Het is nu in gebruik als laboratorium. Het water werd door een 23 kilometer lang buizenstelsel van 12-duims gietijzeren pijpen naar Amsterdam gepompt. Het werk stond onder leiding van de bekwame Engelse ingenieur John Aird die, zo vermelden onze bronnen met ingehouden ironie, ‘aan de grote vraag naar buizen, pompen, kranen en ander waterleidingmateriaal tegemoetkwam door in Amsterdam een buizenhandel op te richten’. Dit materiaal kwam overigens hoofdzakelijk uit Engeland. Op twaalf december 1853 konden de Amsterdammers voor het eerst, bij de Willemspoort aan het Haarlemmerplein, een emmertje water kopen à raison van een cent per emmer.
Literatuur* J.A. Groen jr., Een cent per emmer. Het Amsterdamse drinkwater door de eeuwen heen (Amsterdam z.j.). * Ter inzage in de bibliotheek van de Archiefdienst voor Kennemerland. | ||
Adres Drinkwater uit de duinenBezoekerscentrum Gemeentewaterleidingen Amsterdam |