De waterwolf
De stormen van 1836Op 29 november 1836 was het weer raak. De schoolmeester Pieter Boekel geeft ons een ooggetuigenverslag. Hij merkte hoe een nauwelijks waarneembare wind aanwies ‘... tot zachten wind, die, al sterker en sterker geworden, van harden wind tot storm overging. Het was toen half één op den middag. De storm groeide aan en nam toe in kracht, tot dat hij een uur later den verwoestenden aard van een orkaan aannam. Drie uren achtereen duurde het noodweer, woest was de aanblik op het Haarlemmermeer. Als golfden er heuvels, zoo rolde de eene baar na de andere ... Ver in den omtrek, tusschen het geloei van den orkaan door, hoorde men het suizend gebruis van het wilde water, dat door rukwind op rukwind voortgezweept, al stouter en woester voorttuimelde, en kokend en klotsend tegen paalwerk en oeverkant aanstormde’. De gevolgen logen er niet om. Door de zuidwesterstorm opgestuwd water overstroomde het gehele poldergebied tussen Sloten en Amsterdam. Oeverbescherming en polderdijken begaven het. De schade was enorm. Het werd erger. Nog geen maand later stak opnieuw een geweldige storm op, nu uit het noordoosten. Alsof het zo heeft moeten zijn, werden nu de polders aan de overkant van het meer blank gezet en stroomde het water door de laag gelegen wijken van Leiden. Ook hier grote schade aan oeverwerken, dijken en verharde wegen. De boeren waren persoonlijk het ergst getroffen. Ze hadden jaren nodig om deze klap te boven te komen. Bij veel getuigen van de ramp overheerste het gevoel dat het nu maar eens afgelopen moest zijn.
DroogleggingHet gevoelen dat het maar eens afgelopen moest zijn, was niet nieuw. Dat was eerder voorgekomen. Nieuw was dat er nu daadwerkelijk initiatieven in de richting van drooglegging werden ondernomen. Daarvoor zijn vele redenen aan te wijzen. We noemen enkele van de belangrijkste. De belangrijkste reden is zonder meer dat er nu een centrale landsregering bestond die ingrijpende besluiten kon nemen, ook als daartegen bezwaren bestonden bij gewesten of steden. Een dergelijk landsbestuur bestond niet ten tijde van de Republiek der Verenigde Nederlanden. De overstroming van het gebied bij Sloten maakte weer eens duidelijk hoe afhankelijk de hoofdstad Amsterdam was van dergelijke gebieden voor de voedselvoorziening. Drooglegging van het Haarlemmermeer zou niet alleen een einde maken aan het overstromen van die land- en tuinbouwgebieden, maar daar ook vele hectaren nieuw land aan toevoegen. Dat was welkom omdat na de stagnatie in de achttiende eeuw de bevolking weer groeide in omvang. Overstromingen van het Haarlemmermeer bedreigden ook betrekkelijk nieuwe verharde wegen als die tussen Haarlem en Den Haag. Gedurende de periode van besluitvorming, die tot 1848 zou duren, kwam daar ook de spoorlijn tussen Amsterdam en Haarlem bij. Om al die redenen, en andere, kon de drooglegging in 1848 beginnen. Daaraan was een aantal jaren voorafgegaan van twijfelen en studeren op vraagstukken als de financieringsvorm. Ook over de vraag of men windmolens dan wel stoommachines zou gebruiken bestond lang twijfel. Het werd stoom.
Literatuur* P. Boekel, Geschiedenis van het Haarlemmermeer in schetsen en taferelen (Amsterdam 1868). * Corien Glaudemans, De oude plannen tot droogmaking van het Haarlemmermeer (Doctoraalscriptie, Leiden 1985). * K.J.P.F.M. Jeurgens, De Haarlemmermeer. Een studie in planning en beleid 1836-1858 (Amsterdam 1991) * Ter inzage in de bibliotheek van de Archiefdienst voor Kennemerland. |