Wagneriaans ‘Gesammtkunstwerk’
Een ‘buitenlands’ eiland
Bunge was een introverte, gereserveerde man die weinig contact onderhield met de bevolking van Aerdenhout. Men noemde hem wel ‘De stille heer van Kareol’. Die afstandelijkheid, en de buitenlanders waarmee Bunge zich omringde, gaven aanleiding tot geruchten en wantrouwen. Mevrouw Slagter-Wieringa schrijft hierover: ‘Bunge (...) kiest het stille, rustige, misschien ook wat slaperige Aerdenhout uit om er zijn wonderlijk huis te bouwen, dat in geen enkel opzicht iets gemeen heeft met de veel traditioneler villa’s in de omgeving. Hij vraagt een buitenlander zijn huis te ontwerpen, hij laat het uitvoeren door buitenlandse arbeidskrachten, met voor het merendeel uit het buitenland aangevoerde materialen. Hij bouwt een huis met een eigen electriciteitsvoorziening en een eigen waterleiding, waarvoor een toren nodig is, die hoog boven de bomen uitstekend, de hele omgeving lijkt te domineren. Als dan de echtgenote van de bouwheer een Duitse blijkt te zijn, die haar huispersoneel geheel uit landgenoten samenstelt, beginnen er al spoedig geruchten de ronde te doen’. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog smeedde die geruchtenmachine het verhaal dat de toren dienst deed als zendmast voor de berichten van Duitse spionnen en dat in Bunges souterrain een gigantisch kanon, een zogenaamde ‘Dikke Bertha’, stond. Om die geruchten te ontzenuwen gaf Bunge gelegenheid tot een inspectie van zijn huis aan een generaal van de landmacht, een politieofficier en vier journalisten. Kareol’s noodlotKareol had nog iets Wagneriaans: het noodlot. In 1919 stierf Bunges echtgenote aan de Spaanse griep. Tot aan zijn dood in 1934 bewoonde Bunge zijn immens grote huis met Hilde Russag, een Duitse huisvriendin van zijn overleden vrouw. Verwachtingen dat hij haar wel als tweede echtgenote zou huwen, werden niet bewaarheid. De kinderloze Bunge adopteerde haar als dochter en liet haar zijn gehele vermogen na. Hilde werd na 1934 nog maar zelden in Aerdenhout aangetroffen en stierf in 1941. Haar Duitse erfgenamen plukten het gehele pand leeg en brachten die kostbaarheden naar Wuppertal. Bij een bombardement is daar alles verwoest. Na de oorlog confisqeerde de Nederlandse overheid het landgoed en verkocht het. Achtereenvolgende eigenaren wisten zich geen raad met Kareol dat uiteindelijk leeg kwam te staan en in verval raakte. Ondanks woedende protesten viel het pand, dat toch inmiddels Rijksmonument was, in 1979 onder de slopershamer. Nog een keer sloeg Kareols noodlot toe: de sloper ging failliet.
Literatuur* Hans van der Horst, Kareol. Ondergang van een monument (Bussum 1980). Kasper Jansen, ‘Het noodlotsdrama van Kareol’, NRC-Handelsblad 23-2-2001. * H. Slagter-Wieringa, Het Buiten Kareol te Aerdenhout en zijn Bouwheer, ‘De Stille Heer van Kareol’ (Haarlem 1974). Henk Suèr en Josine Meurs, Geheel in de geest van Wagner. De Wagnervereeniging in Nederland 1883-1959 (Amsterdam 1997). * Ter inzage in de bibliotheek van de Archiefdienst voor Kennemerland. | ||
Adres KareolRestanten Kareol |