Vervoer over water
De trekvaartenNa 1630 werden in Holland talrijke trekvaarten gegraven. Die mochten bijna uitsluitend gebruikt worden voor het vervoer van personen, post en kleine pakjes. Het gewone vrachtverkeer werd er niet op toegelaten. Zonder die beperking zouden Haarlem, Gouda en Dordrecht nooit hebben ingestemd met de aanleg van de trekvaarten. De stemmen van deze steden in de Statenvergaderingen wogen zwaar genoeg om deze voorwaarde af te kunnen dwingen. Door de trekvaarten voeren trekschuiten. Ze werden voortgetrokken door paarden die liepen over een pad naast de trekvaarten, het zogenaamde jaagpad. Het ging weliswaar allemaal niet erg snel, maar de trekschuiten hadden geen last van tegenwind, waren zeer betrouwbaar en, gemeten met de maatstaven van de zeventiende eeuw, ook zeer comfortabel. De trekschuiten voeren ook met een dienstregeling die nauw luisterde. Op tijdsoverschrijdingen stond een boete!
De Leidsche trekvaartIn 1656 begon het graafwerk aan de trekvaart tussen Leiden en Haarlem. De eerste plannen daarvoor dateerden al uit 1640, maar die liepen schipbreuk op de tegenwerking van Gouda. De kaasstad was bang dat een deel van het verkeer met Rotterdam nu over Haarlem, Leiden en Delft zou gaan varen, en dat zou wel eens tot lagere tolopbrengsten kunnen leiden. Maar toen in 1655 Gouda zelf met Amsterdam het plan opvatte om een trekvaart tussen die beide steden te realiseren, zagen Leiden en Haarlem hun kans schoon. Na enig gedelibereer en koehandel over de voorwaarden die aan beide vaarten gesteld moesten worden, kon het werk beginnen. De trekvaart tussen Leiden en Haarlem was bijna dertig kilometer lang en had een breedte die varieerde tussen de vijftien en twintig meter. Het graven van vaarten was handwerk. Als we daar rekening mee houden, moeten we zeggen dat het graafwerk verbluffend snel voltooid was. Het werk begon in maart 1656 en al op 1 november 1657 voer de eerste schuit van Haarlem naar Leiden. Het werk was in vakken aanbesteed en men werkte dus op verschillende plaatsen tegelijkertijd. Haarlem en Leiden exploiteerden de vaart voor gezamenlijke rekening en die exploitatie bleek zeer lucratief. Daaraan kwam een einde in de negentiende eeuw toen achtereenvolgens de diligences over verharde wegen, en later de spoorlijnen, de trekschuiten volledig weg concurreerden.
Literatuur* S.J. Fockema Andreae, ‘De trekvaart Haarlem-Leiden driehonderd jaar’, Jaarboek Haerlem 1957 (Haarlem 1958) 76-83. * Annie Versprille, ‘De Haarlemmertrekvaart 300 jaar’, Leids Jaarboekje 1958 (Leiden 1958) 114-126. Jan de Vries, Barges and capitalism. Passenger transportation in the Dutch economy (1632-1839) (Utrecht 1981). * Ter inzage in de bibliotheek van de Archiefdienst voor Kennemerland. |