
 Uithoorn na de verwoestende brand van 1781.
|
Geschiedenis van de gemeente Uithoorn
Uithoorn was vroeger letterlijk een uithoek (hoorn is Oudnederlands voor hoek), gelegen op de hoek van het Zijdelmeer en de Amstel. In de tiende eeuw waren Uithoorn en omstreken nog één groot veenmoeras. In de elfde eeuw echter werd dit gebied vanuit Mijdrecht ontgonnen om aan de toenemende vraag naar graan als gevolg van de al maar groeiende bevolking te voldoen. Mijdrecht en omstreken behoorden in die tijd tot het Sticht Utrecht, waarover de bisschop van Utrecht zowel de geestelijke als de wereldlijke macht uitoefende. In 1085 echter had de bisschop zijn bevoegdheden over dit gebied gedelegeerd aan het kapittel van Sint Jan te Utrecht, zodat vanaf die tijd de proost van Sint Jan, die aan het hoofd stond van het kapittel, het hier voor het zeggen had. Vandaar de benaming ‘De Proostdijlanden’ voor de gebieden rond Mijdrecht.
In de twaalfde en dertiende eeuw blijken aan de oevers van de Drecht, Kromme Mijdrecht en de Amstel en in de nabije omgeving bij het Legmeer tal van nederzettingen tot ontwikkeling te zijn gekomen, zoals Kudelstraat, Vrouwenakker, de Banken, de Kwakel, Uithoorn, Thamen, Blokland en de Hoef. Aanvankelijk waren al deze gemeenschappen onderhorig aan de parochie Mijdrecht. In de veertiende eeuw echter werden als gevolg van het toenemen van de bevolking met toestemming van de proost van Sint Jan nieuwe parochies gesticht. In 1376 wordt de parochie Kudelstaart genoemd, waartoe de bewoners aan de linkerzijde van het Zijdelmeer behoorden. Die aan de rechterzijde kerkten in de parochiekerk van Thamen, die toen nog aan het Legmeer stond, aan de weg naar Amstelveen.
In de 16de en 17de eeuw was turf de belangrijkste brandstof in het houtarme Holland. Op grote schaal werd het veen dan ook uitgebaggerd, gedroogd en als turf verkocht aan met name Amsterdam. De bevolking daar was tussen 1565 en 1656 toegenomen van 26.000 tot zeker 175.000. Begin 17de eeuw verdienden zo’n 250 turfgravers in Thamen, Uithoorn, de Kwakel en Kudelstaart, een kwart van het aantal inwoners, hun brood met deze lucratieve bezigheid. Gevolg was wel dat grote stukken weiland veranderden in plassen, sloten zich verbreedden en meren al maar groter werden. Kudelstaart bijvoorbeeld zag zo veel weiland verloren gaan, dat het nauwelijks meer bereikbaar was over land vanuit Uithoorn en de Kwakel. De inwoners van het oude Thamen aan de Legmeerdijk op hun beurt werden bedreigd door het Legmeer. Het grondwaterpeil steeg daar zo hoog, dat de funderingen van het kerkje, dat tijdens de hervorming in gereformeerde handen was overgegaan, verzwakten en het begraven in de kerk meer begon te lijken op een ‘tewaterlating’ dan op een ‘teraardebestelling’. In 1662 werd daarom het kerkje opgegeven en aan de hoge Amsteloever een nieuwe kerk gebouwd. Veel bewoners verhuisden mee, waardoor in de Vinkebuurt een nieuw Thamen verrees, Thamen aan de Amstel genoemd. In 1835 werd dit kerkje afgebroken en heropgebouwd. De katholieken ondertussen moesten genoegen nemen met twee eenvoudig ingerichte schuilkerkjes in de Hoef en de Kwakel. In 1782, een jaar na de grote brand waarbij een 39tal huizen in de as werd gelegd, kregen de katholieken van Uithoorn en Thamen hun eigen kerk in de Schans, toen nog de Dorpsstraat genoemd. In 1868 werd deze vervangen door de huidige, wel erg in oog springende kerk van Sint Jan de Doper. Zeven jaar later werd ook de nieuwe katholieke kerk in de Kwakel ingezegend.
Uithoorn en Thamen ondervonden net als de rest van het land de desastreuze gevolgen van de Franse bezetting. Bij het vertrek van de Fransen in 1813 telden beide dorpen inclusief de Kwakel 523 huizen en 1343 inwoners. De meeste van de 586 gereformeerden woonden in Thamen, terwijl de katholieken in Uithoorn en de Kwakel de meerderheid vormden. De scheepvaart en het boerenbedrijf waren toen de voornaamste middelen van bestaan. Ook het turfsteken werd nog steeds beoefend, ondanks de schade die dit toebracht aan het toch al grotendeels geruïneerde landschap. Van de Kwakel werd in die tijd gezegd dat het gehucht gelegen was aan het uijterste van onoversienbare poelen, gansch niet seker dat deselve door de steeds sterker wordende poelen niet sal yndelijk wegspoelen. Dat die kans niet denkbeeldig was, bewezen de beide stormvloeden van 1836. Daarbij werd de toch al precaire landverbinding tussen de Kwakel en Kudelstaart definitief weggeslagen waardoor de Poel en het Legmeer één grote watermassa werden. De beide stormen waren de directe aanleiding tot het besluit in 1839 het Haarlemmermeer droog te malen. In 1852 viel het meer droog. Twee jaar eerder was de Thamerbinnenpolder al drooggelegd. Tussen 1877 en 1883 werden de beide Legmeren drooggemalen.
De tweede helft van de 19de eeuw betekende het einde van het isolement van Uithoorn, want zo mogen we de gemeente nu noemen. In 1798 was Thamen namelijk bij Uithoorn gevoegd, ondanks fel protest van de Thamers. In 1819 werden Kudelstaart, de Kwakel en Uithoorn bij de grensregeling tussen de provincies Holland en Utrecht bij eerstgenoemde provincie gevoegd. Daarmee kwam een einde aan de band van zo’n acht eeuwen met Utrecht. In 1865 begon de schroefstoomboot ‘De Volharding’ een geregelde dienst op Amsterdam, hetgeen het einde betekende van de trekschuit die sinds de tweede helft van de 17de eeuw een geregelde dienst had onderhouden tussen Amsterdam-Uithoorn-Gouda. In 1914 werd Uithoorn aangesloten op het spoorwegnet van de Hollandsche Electrische Spoorweg Maatschappij, die diverse spoorlijnen in de Haarlemmermeerpolder en omgeving exploiteerde. Een jaar later werd Uithoorn het knooppunt van de spoorlijnen Haarlem-Nieuwersluis en Amsterdam-Alphen aan den Rijn. Voor het treinverkeer werd in de Amstel een draaibare spoorbrug gelegd. Al eerder was de weg naar De Kwakel over de Boterdijk verhard (1883), het voetpad naar Vrouwenakker verbreed tot een rijweg (1887), een telegraafkantoor geopend (1885), een telefoonverbinding met Amsterdam tot stand gekomen (1895) en een nieuw raadhuis annex postkantoor in gebruik genomen (1914). In 1939 kwam de nieuwe provinciale weg van Hilversum naar Haarlem, de N201, gereed. De aanleg van deze weg, die dwars door de gemeente loopt, had ingrijpende gevolgen voor het aanzien van het dorp. Het raadhuis annex postkantoor werd gesloopt, het schilderachtige binnenhaventje De Kil gedempt en de markante houten brug met dubbele klap vervangen door de huidige Irenebrug. Bovendien werden aan de overkant de Amstelhoek en de Mennonietenbuurt van elkaar gescheiden. Inmiddels is de N201 een beruchte flessenhals geworden en zal in de nabije toekomst verlegd worden.
De betere bereikbaarheid leidde tot de vestiging van diverse bedrijven. Al in 1863 had de Koninklijke Chemische Fabriek, die zwavel- en salpeterzuur produceerde, zich aan de Amstel gevestigd. In 1878 had de fabriek 35 werknemers in dienst en was daarmee verreweg de grootste werkgever. In 1906 begon de Condensed Milk Company met de productie van gecondenseerde melk. In 1927 werden twee grote bedrijven opgericht: De N.V. Teer Bedrijf Uithoorn (de Tebu) aan de Amstel (thans de Cindu) en de Uithoornsche Baconfabrieken achter het spoorwegemplacement. Ook De Kwakel profiteerde van de verbeterde infrastructuur. Daar schakelden de agrariërs massaal over van de veeteelt en akkerbouw op de (glas)tuinbouw.
Na de Tweede Wereldoorlog veranderde het aangezicht van Uithoorn ingrijpend. In zestig jaar tijd vervijfvoudigde de bevolking van vijf- tot vijfentwintigduizend inwoners en verrezen nieuwe wijken. Begonnen werd met het volbouwen van de Thamer Binnenpolder. Daar verrezen tussen 1948 en 1956 bijna 850 woningen. Daarna werden in de jaren zestig en zeventig de wijken Zijdelwaard-I, -II, -III en –IV en De Legmeer opgeleverd. Met de bouw van de wijk Meerwijk werd in 1985 begonnen, ondanks fel protest omdat menigeen de bouw van deze wijk met zo’n 2000 woningen zag als een onherstelbare aantasting van het Zijdelmeer en zijn bijzondere vegetatie en de Uithoornse polder met zijn bijzondere, nog uit de Middeleeuwen daterende verkavelingstructuur. Thans telt de gemeente Uithoorn iets meer dan 28.000 inwoners.
|